Genetische variatie in de populatie, de wetenschappelijke onderbouwing!

Hoe groter de genetische variatie of diversiteit in een populatie is, des te vitaler/ gezonder zijn de dieren en des te kleiner is de kans op erfelijke ziektes.

Bij het professionele onderzoek naar de genetische variatie of diversiteit van de Wetterhounpopulatie zijn twee analyses uitgevoerd. Naast de ‘standaard’ analyse over de gehele periode (1942-2015), hebben we een tweede analyse uitgevoerd over een deel daarvan (1971-2015); de eerste periode (1942-1971), dus vóór sluiting van bijlage-C en opname van de Wetterhoun populatie in het NHSB, is daarbij genegeerd.

De keuze voor de tweede analyse is gemaakt op grond van het feit dat in 1971 de toenmalige fenotypische diversiteit zichtbaar extreem hoog was. Dit beeld was niet verklaarbaar uit de te verwachten genetische diversiteit van de papieren stamboom tussen 1942-1971. Bovendien was het in die tijd een publiek geheim, dat er ‘heimelijk’ veel vreemd bloed ingekruist werd bij beide rassen. Dat betekent, dat in 1971 het aantal ‘founders’ (stamouders) veel groter was dan in 1942. In dit jaar waren er circa 3-5 founders en in 1971 vele tientallen. Starten met meer stamhouders geeft meer ruimte om te fokken met het oog op behoud van de noodzakelijke genetische diversiteit.

Analyse over 1942-2015
Bij de eerste analyse, de ‘standaard’ analyse over de gehele periode 1942-2015, blijkt dat de gemiddelde diversiteit in de Wetterhoun populatie 1.35 is. Dit houdt in dat als we een nieuwe, even grote populatie starten met één-éénderde hond er evenveel diversiteit aanwezig zou zijn als in de huidige populatie. Om een idee te geven: elk willekeurig dier binnen de populatie is méér verwant aan een ander dier binnen de populatie dan broer en zus. Elke willekeurige combinatie is in feite een broer-zus kruising. De hoogst mogelijke diversiteit is 1.39, hetgeen nauwelijks hoger is. Waar bij de meeste populaties een verbetering van ongeveer het dubbele te halen valt is er bij de Wetterhoun dus enkel 0.04 te behalen.

Analyse over 1971-2015
De stambomen van vóór 1971 kloppen waarschijnlijk niet (zie hiervoor). Vandaar dat een tweede analyse is uitgevoerd, waarbij de informatie van vóór 1971 genegeerd zijn. Alle honden die in 1971 zijn ingeschreven worden als het ware beschouwd als founders. De diversiteit zou dan in principe hoger uit moeten komen; het ‘theoretische verlies aan genetische diversiteit’, geleden tijdens de generaties van vóór 1971 wordt dan namelijk niet meegenomen. De diversiteit van de huidige populatie berekend via de tweede analyse komt uit op 2.47. Naast de huidige diversiteit is wederom de hoogst mogelijke diversiteit berekend: die komt uit op 2.61.

Het verschil: 0.14 is nog steeds zeer weinig. In de eerste analyse is dat 0.04. Het verschil tussen de huidige diversiteit en de maximaal haalbare diversiteit is dus nog steeds heel erg klein in de tweede analyse. Het kan niet anders dan dat er in de periode van 1971-2015 een werkelijk dramatisch verlies aan diversiteit is opgetreden door overmatig gebruik van slechts enkele dieren en de winst aan genetische variatie door (zij het ‘frauduleuze’) inbreng van vreemd genetisch materiaal tussen 1942-1971 volledig teniet gedaan is.

Dit geringe onderscheid in verwantschap maakt de verschillen in ‘genetische belangrijkheid’ tussen de dieren (veel te) klein. We hebben nog maar heel weinig mogelijkheid om te compenseren. Niettemin is het nog steeds verstandiger om die dieren voor de fokkerij te selecteren die een lage verwantschap hebben. Daarbij is het ’t allerbelangrijkste voor de Wetterhoun dat er zoveel mogelijk (!) verschillende (!) dieren worden ingezet in de fokkerij. Kortom: er kan en moet maar één keer met een dier gefokt worden en er moet met meer dieren gefokt worden per generatie. Dat laatste heeft ook consequenties voor de promotie van de Wetterhûn, zodat de vraag naar pups toeneemt.

Sommige fokkers zullen niet blij zijn met de regel dat er maar één keer met een dier gefokt mag worden. Bovendien is de vraag of het aantal fokkers dat zich vrijwillig meldt om te gaan fokken wel voldoende zal zijn. Dan zou er ook gefokt moeten worden op invitatie. En dat vraagt weer om professionele begeleiding en garanties voor vrijwaring van kosten en juridische aansprakelijkheid. En, zoals later nog nader zal worden toegelicht, zal er een gedegen plan moeten komen om controle te krijgen en te houden over volgende generaties. Het zijn alle taken die ingevuld zullen moeten worden door de vereniging! En dat zal nog heel veel professionaliteit en inzet vragen.

Is de Wetterhoun een uitzondering?
Zijn er voorbeelden in de rashondenfokkerij waarbij succesvolle ingrepen zijn gedaan om de diversiteit binnen een vergelijkbare populatie te verbeteren? Helaas zijn er wetenschappelijk vrijwel geen (gesloten) populaties rashonden geanalyseerd op de mogelijkheden van het terugwinnen van genetische diversiteit. Pieter Oliehoek heeft de IJslandse Hond geanalyseerd. Daar kon de diversiteit relatief meer omhoog. Dat komt door de iets grotere populatie, alsmede de ontstaansgeschiedenis van de IJslandse Hond. Het oorspronkelijk gebied van de IJslandse Hond is honderd keer zo groot als dat van de Wetterhoun. Er werden dus in deze populatie vanzelfsprekend meer verschillende reuen gebruikt.
Hoe verder?
Het is duidelijk dat de genetische diversiteit extreem laag is in de huidige Wetterhounpopulatie, die ingeschreven staat in het NHSB. Hoewel hier ook enige discussie over zal moeten plaatsvinden, is het in ieder geval van belang dat er zo veel mogelijk verschillende dieren voor de fokkerij moeten worden gebruikt. De discussie die moet volgen is: hoe dit in de praktijk valt te realiseren. “Zo veel mogelijk verschillende dieren gebruiken” klinkt eenvoudiger dan het lijkt. Het gaat namelijk niet alleen om één ouder dier maar één keer gebruiken. Het is bijvoorbeeld ook niet de bedoeling dat alle dieren van één nest gebruikt gaan worden en alle andere nesten genegeerd. Andersom, als een dier één keer gebruikt is, maar geen enkele van zijn/haar nakomelingen gebruikt worden, zal deze lijn effectief ook uitsterven. Een belangrijk begin is het inzichtelijk maken van welke dieren het belangrijkst zijn: welke dieren (in het begin met name welke reuen) een lage verwantschapsgraad hebben.

Pieter Oliehoek, populatie geneticus