Geschiedenis van de Wetterhoun

Wetterhoun David_Teniers_de_Jonge_-_Boerderij_jongen_met_een_hond_(Kunsthistorisches_Museum)
David Teniers de Jonge (1610-1690) schilderde dit doek op het Vlaamse platteland. De afgebeelde hond is onmiskenbaar een Wetterhoun. Het historisch verhaal geeft aan dat de hond ook in de Zuidelijke Nederlanden voorkwam.

Inleiding

De historie van de Wetterhoun is een interessante zoektocht, die niet zomaar een herkenbaar beeld oplevert. Zo kwam de Wetterhoun voor in Engeland, Vlaanderen maar ook in Zweden. Uiteindelijk bleef de Wetterhoun alleen in Friesland bestaan. Dat had te maken met de geïsoleerde landelijke ligging van dit gebied. Rond 1850 werden er pas wegen aangelegd die redelijk begaanbaar waren. Uiteraard was en is Friesland via het water wel uitstekend te bereiken. In dit landsdeel kwamen de eerste Wetterhounen terecht via schepen.

De Wetterhoun valt in de officiële kynologie onder rasgroep 8: Retrievers en Waterhonden. Deze laatste soort maakte net als andere hondensoorten een eigen historische ontwikkeling door.  In diverse delen van de wereld komen waterhonden voor met een gebruiksfunctie in, op, om of onder water, voor. Sommige landen kregen zelfs een nationale waterhond: de Portugese Waterhond en de Ierse Water Spaniël. Voor Nederland in algemene zin en voor Friesland in specifieke zin werd dat de Wetterhoun.

De Lage Landen

In het begin van de zeventiende eeuw wordt melding gemaakt van waterhonden in de Republiek der Verenigde Nederlanden. Lowys Guicciardyn, een edelman uit Florence, vermeldt in 1612 allerlei hondensoorten in Beschryvinghe van alle de Nederlanden waaronder waterhonden of barbets. Ook spreekt de Italiaan van een ‘aerdt van Waterhonden’ die zeer goed zijn in het vervolgen van ‘Endtvogelen’ (eenden). Deze teksten worden besproken in de eerste hondenencyclopedie van Toepoel.

Een overtuigend bewijs dat de Wetterhoun vier eeuwen geleden al in de Lage Landen voorkwam is de verschijning van deze hond op Boerenjongen met hond, een schilderij van de Vlaamse meester David Teniers de Jonge (1610-1690). In 1732 werd er een steen geplaatst in een muur van het huis van een Amsterdamse scheepstimmerman met het opschrift: ‘De Gekroonde Water-hont’. Het betrof hier een hond die samenwerkte met deze ambachtsman als ‘maatje’ in de scheepsbouw. Als een tang of hamer in het water viel, dook de hond het gereedschap op.

In Friese historische literatuur wordt geschreven dat de Wetterhoun in vroeger eeuwen ook wel werd aangeduid als otterhoun. Vanwege zijn scherpe neus werd de Wetterhoun daarvoor ingezet. De publicatie Jachtbedrijff uit de zeventiende eeuw van dr. Swaen wordt geciteerd in Het jachtbedrijf in Nederland en West-Europa (1953) Dr. Swaen schreef een citaat over de otterjacht. De otter ‘is een gedierte twelck beijde op het landt ende water leeft, is seer schadelijk inde visscherijen. Onthouden sich in Hollandt in de veenen ende rietachtige landen.’ En op de visotters werd ‘gejaegt met honden die otterhonden genoemt zijn, deze honden komen uijt Noort Holland ende werden op de otterjacht geleert.’ Of het hier daadwerkelijk om Wetterhounen gaat valt niet met zekerheid te zeggen, maar het is wel aannemelijk.  Overigens ging het er bij de otterjacht niet om dat de Wetterhoun de otter doodde, maar om deze marterachtige op te sporen. De otter werd meestal door de jager met een speer gedood.

wordt vervolgd

Wiebe Dooper, cultuurhistoricus